Dagboeken

Paracetamol, ibuprofen en kaakchirurg

 26 november 2020

Als ik honderd jaar eerder geboren was, had ik waarschijnlijk een mond als de Harfsche karmse gehad.
In Oolde, mijn Oolde, het boek van schoolmeester H.W. Heuvel over zijn jeugd eind negentiende eeuw in het Achterhoekse Oolde, staat een verhaal over die kermis in Harfsen. Die bestond uit twee kramen, wat Heuvel deed denken aan een oude tandeloze boer die zei: ‘Mien bek is net Harfsche karmse.’
Uitgerekend de avond dat ik dat had gelezen, kreeg ik vreselijke kiespijn zoals ik nog nooit eerder kiespijn had gehad. Zelfs drie keer twee paracetamols hielp niet. Dankzij wat jonge jenever en vijf druppels wietolie viel ik toch in slaap. De volgende dag legde de tandarts uit dat je bij kiespijn ibuprofen, een ontstekingsremmer, moet nemen. Dankzij die ibuprofen (net als paracetamol op elke straathoek te koop) was ik de kiespijn voorlopig de baas.
Op een röntgenfoto zag de tandarts dat de boosdoener een gekroonde verstandskies was. Tussen kroon en tandvlees was de wortel bloot komen te liggen en daar zat voor de zoveelste keer een gaatje. Dezelfde röntgenfoto liet zien dat het trekken van de kies een gecompliceerde klus zou zijn: werk voor een kaakchirurg.
Die kaakchirurg vertelde me dat hij de ingreep onder verdoving zou uitvoeren. Ik zou hooguit merken dat hij zat te boren en te trekken, maar pijn hoefde ik niet te voelen. Was dat wel het geval, dan moest ik dat aangeven. Dan zou hij extra verdoving geven. Nadat ik was ingepakt in blauw papier, spoot hij met een ragfijne naald de verdovingsvloeistof in mijn kaak en ging hij aan het werk. Op zeker moment voelde ik snijdende pijn, in principe te harden, maar niet nodig. Volgens afspraak riep ik ‘au’ en volgens dezelfde afspraak deed de kaakchirurg er met de verdoving een schepje bovenop. Daarna voelde ik alleen nog geduw en getrek. Binnen een kwartier had hij de kies verwijderd en het gat gehecht.
De dagen daarna had ik napijn. Dat wil zeggen ik had een zeurderige gevoel rond mijn kaak en wang, maar dat verdween zodra ik een paar paracetamol nam. Een week later was al het leed geleden.
Natuurlijk was dit allemaal erg vervelend. Maar dankzij de herinnering aan de Harfsche karmse ging ik er luchthartig, ja zelfs dankbaar mee om.
Het had zoveel erger kunnen zijn. Stel je voor dat ik honderd jaar eerder had geleefd. Dan had ik geen ibuprofen of paracetamol gehad, maar waren brandewijn en jenever de enige pijnbestrijding geweest.
Dan had ik mijn door cariës aangevreten kiezen en tanden door een paardensmid of een tandmeester op de jaarmarkt moeten laten trekken. Met een tang. Zonder verdoving. Zonder röntgenfoto’s waarop de plaats des onheils tot op de millimeter nauwkeurig kon worden vastgesteld.
Dat ik nu in handen was van twee bekwame lieden die precies weten wat ze moeten doen, is historisch gezien een ongekende weelde. Dat is een reden waarom ik dingen graag in historisch perspectief zie. Dingen op die manier bekijken draagt bij aan een goed humeur. Historische intelligentie noem ik dat.

terug naar overzicht