allerhande

Geur

[Financieel Dagblad, augustus 2015]

Onlangs kocht ik een stuk Maja zeep. Van de verlokkelijke Spaanse danseres met waaier in uitbundig rood, zwart en goud is slechts een gestileerde gestalte overgebleven. Maar gelukkig geurt de zeep als vanouds, volgens deskundigen een mengsel van jasmijn, roos en geranium. Maar ik ruik sandelhout, of liever: ik ruik mijn oma. Op het fonteintje naast haar WC lag altijd een stuk Maja zeep en de geur daarvan brengt herinneringen aan haar naar boven. Aan haar bloedkoralen ketting met gouden sluiting, het barokke flesje Boldoot-4711 en de katoenen zakdoek in haar tas, de rolletjes Italiano-snoep waarvan ze eindeloos uitdeelde. Maar ik zie vooral haar WC: een kleine okergele ruimte met wanden van kraalhout en een schuin aflopende vloer, weggestopt onder een krakende trap, en met een deur die je alleen met een houten klosje kon afsluiten.

Mijn oma woonde in Krommenie, wij in Enschede. Een paar keer per jaar karden mijn ouders, mijn zusjes en ik met gezessen in onze Lelijke Eend naar haar toe. Er waren nog geen tunnels onder het IJ gegraven, laat staan dat er een rondweg om Amsterdam was aangelegd. Dus doorkruiste je, nadat je de stad via Diemen was binnengekomen, Amsterdam van de Middenweg tot de Spaarndammerbuurt en stak vervolgens met de Hempont het Noordzeekanaal over. Daar voerden we de meeuwen die boven ons hoofd cirkelden brood en telkens wiste die tot onze grote vreugde het brood uit de lucht op te vissen. Intussen hoorden we treinen over de Hembrug donderen. Wanneer mijn vader de motor van de Eend startte en we de pont afreden, was je in de Zaanstreek. Al snel verklapte onze neus dat we steeds dichterbij Oma kwamen. In Zaandam roken we de Maggi en de koekjes van Verkade, in Koog aan de Zaan de bittere geur van cacao en in Krommenie zelf de weeë lucht van de lijnolie van de linoleumfabriek. Nog steeds is de Zaanstreek niet helemaal geurloos (internet meldt een hoog percentage ‘geurgehinderden’), maar het is geen vergelijking met de zware stank van vroeger waar je tegenaan kon leunen. Als bezoeker vind ik nu die zweem van cacao en lijnolie juist prettig; hij brengt mij terug in de tijd en in mijn verbeelding ben ik even bij Oma op bezoek.

Madeleinekoekjes
Sinds Proust en zijn in thee gedoopte Madeleinekoekjes weten we het van de kunstenaar. Neurowetenschappers bevestigen zijn bevindingen: geuren halen intense en emotionele herinneringen boven. De geur doet dat beter dan welk ander zintuig ook. Dat komt doordat in het brein het geurcentrum dichtbij het emotiecentrum ligt: de neurale lijntjes zijn kort.

Als schrijver heb je niet veel aan die wetenschap. Een schrijver heeft alleen woorden tot zijn beschikking die hij hooguit met foto’s kracht kan bijzetten. Maar een potje met geuren? Dat heb je helaas niet. Hoe zou het zijn wanneer je dat wel had? Wanneer je bijvoorbeeld de geur van ongewassen kinderen en stinkende kleren tevoorschijn kon toveren? Nu elk Nederlands huis een douche heeft en ieder gezin een wasmachine, zitten er op school geen stinkende kinderen meer. Dat was vroeger wel anders. In iedere klas waren er altijd wel een paar die een zware lichaamsgeur en de stank van te lang gedragen, ongewassen kleren verspreidden.

Tegenwoordig kan je die geur nog opsnuiven wanneer je in een sportzaal het hok opendoet waar vergeten gymschoenen, bezwete T-shirts en vieze shorts liggen te rotten totdat ze in de vuilnisbak verdwijnen: een mengsel van bedorven noten, zweet en tenenkaas. Toen ik eens bij toeval die geur opsnoof, kwam meteen de herinnering aan Geeske en Wicher naar boven. Geeske en Wicher waren de vieze kinderen uit mijn klas. Opeens was ik terug in de tijd, ergens eind jaren vijftig, begin jaren zestig, en zag ik Geeske en het grote gezin waaruit ze vandaan kwam - tien kinderen met allemaal net zulke opgetrokken schouders en net zulk sluik haar als Geeske zelf - en hun armetierige huisje op de hoek, waar het binnen al even ranzig rook als die arme Geeske. Ik zag Wichers smalle, bleke gezicht, zijn broodmagere lijf en de morsige, roestbruine truien waarvan het breisel op verschillende plaatsen gaten vertoonde.

In diezelfde jaren kon je, zo vertellen getuigen mij, in de Amsterdamse trams op donderdag of vrijdag goed ruiken dat het hoog tijd werd voor de wekelijkse gang naar het badhuis. Arbeiders deden nog veel lichamelijk zware arbeid, ze hadden geen douche of deodorant en gingen niet met de eigen auto maar met het openbaar vervoer naar hun werk. In de tram moet hebben gestonken naar belegen mannenzweet, ook zo’n indringende geur die geleidelijk aan steeds zeldzamer is geworden.

Water, zeep en snot
Toch roept soms ook alleen al de beschrijving van een geur heftige emoties op. Tijdens lezingen over mijn boek Gouden jaren – hoe ons dagelijks leven in een halve eeuw onvoorstelbaar is veranderd wijs ik onder andere op het - doorgaans zwaar veronachtzaamde - genot van papieren zakdoekjes. Dan neem ik mijn toehoorders mee naar de jaren vijftig, toen mensen het niet alleen moesten stellen zonder deze papieren zakdoekjes, maar ook zonder de wasautomaat. Sommige huisvrouwen wierpen zich destijds met groot fanatisme op de vuile zakdoeken die zij als een levensgevaarlijke bron van besmettingen beschouwden. Zij kookten de snotlappen in een speciale ketel boven een butagasbrander uit. Mijn verhaal gaat dan als volgt: ‘Ik heb me laten vertellen dat dit mengsel van kokend water, zeep en snot een verre van aangename lucht verspreidde.’ Alleen al bij de woorden kokend water, zeep en snot komt er bij sommige mensen een pijnlijke grimas op het gezicht. Vervolgens trekken zij hun schouders op, de herinnering aan de kwalijke dampen uit de wasketel vervult hen met zichtbare afschuw.

Goudsbloemen
Zelf probeer ik via mijn neus vooral plezierige herinneringen op te roepen. En niet alleen met Maja zeep. In het voorjaar zaai ik afrikaantjes, goudsbloemen en Oost-Indische kers. Die bloemen zie je tegenwoordig nog maar zelden in de door Intratuin gedomineerde stadstuinen, maar vroeger stond iedere tuin er vol mee. Heel begrijpelijk, want wanneer je zelf zaad uit de uitgebloeide bloemen wint kosten ze je geen cent. Bovendien heb je er een zomer lang plezier van, vaak zelfs tot ver in het najaar. Met het klimmen der jaren ga ik deze bloemen uit de oude doos steeds meer waarderen. De eigenaardige kruidige geur die ze alle drie stuk voor stuk afgeven is een belangrijke reden om ze in mijn tuin te willen hebben. Wanneer ik een afrikaantje pluk en vervolgens aan mijn vingers ruik, brengt mijn neus me terug naar de tuin achter mijn ouderlijk huis, naar de zandbak, de driewieler, het wapperende witte wasgoed aan de lijn. Kortom, door die bloemengeur keer ik terug naar vroeger en ben ik in gedachten even terug in de tijd, ben ik terug bij – om met de dichter Herman de Coninck te spreken – ‘O, toen alles nog voorbij kon gaan’.

terug naar overzicht